|
Thursday, March 08, 2007
Afblazen campagne orgaandonatie misschien zo gek nog niet
Minister Klink van volksgezondheid krijgt kritiek vanwege het besluit om de NIGZ-campagne voor orgaandonatie af te blazen. Misschien is het besluit vooral symboolpolitiek. Maar voor alle patiënten die nu op een wachtlijst staan voor een donororgaanis het besluit misschien zo gek nog niet. Het besluit van de minister heeft in ieder geval het onderwerp orgaandonatie aandacht gegeven. Daarnaast laat de minister blijken op de hoogte te zijn van de gevoeligheden omtrent het onderwerp die leven bij een belangrijk deel van degenen die nu orgaandonatie weigeren. Uit onderzoek is bekend dat protestant-christelijke Nederlanders minder vaak volledige toestemming met orgaandonatie hebben geregistreerd dan onkerkelijken ( klik hier voor het onderzoek). Ook blijkt dat meer frequente kerkgangers vaker een weigering tot orgaandonatie hebben geregistreerd. Op zichzelf zijn dit vreemde bevindingen, omdat er nauwelijks theologische redenen zijn die gelovigen ertoe dwingen orgaandonatie te weigeren. In het ideaal van naastenliefde zou juist een aanmoediging tot orgaandonatie gezien kunnen worden. Hoe dit ook zij, er zijn veel niet-donoren onder kerkelijke Nederlanders. Dat zijn juist de groepen die zich zullen storen aande foto's die Klink ertoe leidden de campagne stop te zetten. Deze groepen zouden door de campagne eerder gesterktworden in hun weerzin tegen orgaandonatie. Een succesvolle campagne moet juist de groepen aanspreken die zich niet hebben latenregistreren of weigering heeft laten registreren. Deze groep zal zich in ieder geval gesteund weten door het besluit van Klink. Wellicht heroverwegen zij hun besluit of nemen ze alsnog een besluit tot donatie. Aan de andere kant is de groep weigeraars lager opgeleid dan gemiddeld en heeft minder kennis van moeilijke woorden, zoblijkt uit het onderzoek. Voor deze groep had de advertentie wellicht wel gewerkt - beter ook misschien advertentie met feitelijkeinformatie. Maar die groep is nu ook bereikt.
Monday, September 25, 2006
Nadelen van ongelijkheidEen eerstejaars economie student vroeg mij eens op een voorlichtingsdag: “Is sociologie niet heel erg links?” Aan zijn manier van kleden en zijn accent ontleende ik automatisch het beeld dat hij vanochtend de Telegraaf had gelezen, zijn politieke partij de VVD zou zijn en hij het aan zijn vader niet zou kunnen verkopen om een bijvak sociologie te volgen. Ik antwoordde dat sociologie ook over ‘rechtse’ onderwerpen ging, zoals sociale orde, geweld en strijd. Als ik echt scherp was geweest had ik moeten zeggen dat er ook conservatieve sociologen zijn, die vanuit consensus dachten, en het maatschappelijk middenveld een belangrijke rol toedichten. Ik vergat ook te zeggen dat sociologie ook ging over modernisering van de economie en andere vormen van rationalisering. Maar wat ik echt had moeten antwoorden heb ik pas recent ontdekt: dat wie echt economische groei, orde en veiligheid wil, de ongelijkheid moet verminderen. De sleutel in de relatie tussen ongelijkheid, economische groei en cohesie is vertrouwen. Het onderzoek van Werner Raub en zijn groep uit de afgelopen tien jaar heeft duidelijk gemaakt dat economische transacties soepeler verlopen wanneer kopers en verkopers elkaar vertrouwen. Vertrouwen is ook belangrijk in de alledaagse omgang met studenten, docenten, collega’s en personeel. Het bepaalt hoe we ons opstellen tegenover instituties als de politiek, de media, en ‘goede doelen’, en hoe gemakkelijk we zaken doen via internet. Vertrouwen is het cement van de samenleving. Maar waar komt dat vertrouwen vandaan? Robert Putnam beweert in zijn bekende boek Bowling Alone (Putnam, 2000) dat vertrouwen bevorderd kan worden door deelname aan maatschappelijke organisaties. Uit empirisch onderzoek blijkt dit echter niet of nauwelijks. Ons vertrouwen in anderen is niet erg afhankelijk van onze sociale relaties, maar bepaalt wel of die relaties succesvol worden. Vertrouwen is eerder een persoonskenmerk, leren we uit de psychologie (Rotter, 1967). Sommige mensen zijn nu eenmaal beter van vertrouwen dan anderen. Het vertrouwen dat we stellen in anderen is een vrij stabiel kenmerk, zo blijkt. In tegenstelling tot de claim van Robert Putnam blijkt uit onderzoek dat vertrouwen niet bevorderd wordt door deelname aan maatschappelijke organisaties. Het is andersom: wie meer vertrouwen heeft, wordt eerder lid van allerlei verenigingen, en houdt het langer uit als vrijwilliger (Bekkers, 2006). Daarmee is de kous niet af. De sociologie levert een belangrijke bijdrage aan kennis over de ontwikkeling van vertrouwen. Leigh (2005) heeft laten zien dat het niveau van ongelijkheid in landen samenhangt met het niveau van vertrouwen in die landen. Uslaner (2002) liet dit zien voor de Verenigde Staten. De sociale ongelijkheid in de VS is sterk toegenomen in de periode 1960-2000. Tegelijkertijd nam het vertrouwen af van 58% tot 37%, gemeten als instemming met de stelling ‘in het algemeen zijn de meeste mensen wel te vertrouwen’ – nota bene een stelling vijftig jaar geleden geformuleerd door een psycholoog (Rosenberg, 1956). In Nederland zien we de omgekeerde ontwikkeling: terwijl de maatschappelijke ongelijkheid afnam vanaf eind jaren ‘60, nam het vertrouwen toe van 38% in 1972 tot 55% in 1998 (SCP, 1999). Het vertrouwen neemt met name de laatste jaren weer af. Nu ligt het rond de 47% (Bekkers, 2006). In het handboek van Ultee, Arts en Flap (2003) worden ongelijkheid, rationalisering en cohesie grotendeels onafhankelijk van elkaar gepresenteerd. Weliswaar laten de auteurs in een van de latere hoofdstukken zien dat hypothesen die oorspronkelijk opgesteld waren ter verklaring van cohesie-verschijnselen ook gebruikt kunnen worden in de verklaring van verschijnselen die vallen onder het thema ongelijkheid, maar het bovenstaande onderzoek gaat verder dan dat. Het laat zien dat ongelijkheid indicatoren van sociale cohesie zoals lidmaatschap in maatschappelijke organisaties, vrijwilligerswerk en giften vermindert omdat ongelijkheid het vertrouwen in anderen vermindert. Ander onderzoek laat zien dat vertrouwen economische groei bevordert (Knack & Keefer, 1997; Whiteley, 2000). Het zou voor iedereen een slechte zaak zijn als de ongelijkheid de komende jaren verder toeneemt. Niet alleen voor progressieven, maar ook voor conservatieven en liberalen. Literatuur Bekkers, René (2006). Trust and Volunteering: Selection or Causation? Evidence from a Four Year Panel Study. Paper prepared for the 35th Arnova Conference, November 16-18 2006, Chicago. Knack, Stephen & Philip Keefer (1997). “Does Social Capital Have an Economic Payoff? A Cross-Country Investigation”. Quarterly Journal of Economics, 112(4): 1251-1288. Leigh, Andrew (2006). “Does Equality lead to Fraternity?” Discussion paper no.513, Centre for Economic Policy Research, Australian National University, January 2006. Putnam, Robert D. (2000) Bowling Alone: The Collapse and Revival of American Community. New York: Simon & Schuster. Rosenberg, Morris (1956). “Misanthropy and Political Ideology.” American Sociological Review, 21: 690-5. Rotter, Julian B. (1967). “A New Scale for the Measurement of Interpersonal Trust.” Journal of Personality, 35: 651-665. Sociaal en Cultureel Planbureau (1999). Sociale en culturele verkenningen 1999, Cahier 157. Den Haag: SCP. Ultee, Wout, Wil Arts & Flap, Henk (2003). Sociologie: vragen, uitspraken, bevindingen. Groningen: Wolters Noordhoff. Uslaner, Eric (2002). The Moral Foundations of Trust. Cambridge: Cambridge University Press. Whiteley, Paul F. (2000). “Economic Growth and Social Capital.” Political Studies, 48: 443-466.
Thursday, September 09, 2004
Geefgedrag gekenmerkt door sociale omstandigheden Persbericht Communicatie Online
Geefgedrag is voornamelijk een kwestie van sociale omstandigheden en niet zozeer van persoonlijkheidskenmerken. Dat concludeert René Bekkers in zijn proefschrift. Gemiddeld wordt ongeveer zeventig procent van de verschillen tussen mensen in hun geefgedrag verklaard door de sociale omstandigheden waarin ze leven en zijn opgegroeid en slechts 30 procent door persoonlijkheidskenmerken en een altruïstische instelling. De meest karakteristieke eigenschappen van mensen die geld, tijd, bloed en organen geven zijn (in aflopende volgorde) hun hogere opleidingsniveau, hun sterkere religiositeit, het wonen in een kleinere gemeente, het hebben van een voltijds baan en een hoger inkomen, aldus Bekkers in 'Giving and volunteering in the Netherlands: sociological and psychological perspectives'.
Mensen die zichzelf omschrijven als vriendelijk of goed in staat om zich te verplaatsen in anderen zijn niet vaker actief als vrijwilliger en geven net zoveel geld aan goede doelen als mensen die zichzelf als onvriendelijk omschrijven. Wel blijkt dat emotionele betrokkenheid bij anderen samengaat met hogere giften aan goede doelen.
Promotie: 17 september 2004, 12.45, Academiegebouw Universiteit Utrecht (Domplein)
Tuesday, August 17, 2004
Goede doelen lijden onder wantrouwen
'Goede doel lijdt onder recessie' kopt de Volkskrant op de voorpagina van Donderdag 12 augustus. De kop wekt de suggestie dat mensen zijn gaan bezuinigen op hun giften aan goede doelen. Wie verder leest concludeert al snel dat er twee andere ontwikkelingen gaande zijn: (1) teruglopende inkomsten uit erfenissen en legaten; (2) een toenemend aantal zwevende donateurs. De recente economische dip is niet de achtergrond van de eerste ontwikkeling. Dat kan alleen als vermogende ouderen de laatste jaren vlak voor hun dood de goede doelen uit hun testamenten zijn gaan schrappen, wat zeer onwaarschijnlijk is. Een meer plausibele verklaring is dat de waarde van beleggingen die in de testamenten zijn opgenomen de afgelopen jaren is afgenomen door de daling van de beurskoersen, die al in 2000 inzette. Dat donateurs minder honkvast zijn geworden heeft te maken met de berichtgeving met name in de Volkskrant over de uitgaven van goede doelen aan salarissen van directeuren. Wie directeuren 'te veel' betaalt loopt imagoschade op. Donateurs geven geld voor het goede doel en niet voor salarissen van directeuren. Omdat goede doelen geen tastbaar produkt leveren aan hun donateurs zijn zij veel sterker afhankelijk van het vertrouwen onder het publiek dan bedrijven die wel tastbare producten verkopen. Albert Hein beloonde haar nieuwe directeur veel excessiever maar leed daardoor uiteindelijk weinig schade. Goede doelen kunnen niet met elkaar concurreren met producten of service, maar alleen met hun imago - het is hun enige handelswaar. Dat vertrouwen is de laatste tijd onder druk komen te staan. Het vertrouwen in goede doelen is niet gedaald, maar de prijs ervoor is wel gestegen. Vertrouwen is niet langer vanzelfsprekend. Donateurs verwachten er meer voor terug dan vroeger. Onder druk van de media zijn de sociale normen op dit punt de afgelopen jaren snel veranderd. Vroeger was twijfel aan de betrouwbaarheid van goede doelen niet geaccepteerd, maar nu zou je wel gek zijn de indruk te wekken zomaar geld te geven aan goede doelen zonder te weten wat ermee gebeurt. Overigens hebben Nederlanders een onrealistisch negatief beeld van de feitelijke kosten van goede doelen, zo blijkt uit onderzoek. Vaak wordt gewezen op de boekhoudschandalen bij grote bedrijven om meer transparantie te eisen en scherpere controle op de financiële administratie van goede doelen. Er is echter een cruciaal verschil tussen bedrijven en goede doelen: bedrijven hebben veel meer te winnen bij fraude dan goede doelen. Bedrijven kunnen hun beurskoers opdrijven door de boel belazeren. Daar profiteren niet alleen de bedrijven van, maar met name de directeuren en managers met aandelen in die bedrijven. Bij goede doelen zijn zulke constructies niet mogelijk omdat zij geen winst kunnen maken en ook geen aandeelhouders hebben. Hoogstens kunnen de goede doelen hun directeuren een hoger salaris geven. Openheid over salarissen van directeuren en managers van goede doelen is weliswaar een goede zaak, maar de roep om openheid appelleert aan gevoelens van achterdocht die niet gemakkelijk te temmen zijn. Van alle goede doelen zal er altijd één directeur zijn die het meeste verdient - ook al ontlopen de salarissen elkaar onderling weinig en gaat het vergeleken met gelijkaardige functies in andere sectoren om ongeveer dezelfde bedragen. Bovendien wordt een negatieve spiraal opgeroepen. Donateurs eisen in toenemende mate verantwoording van de kosten die goede doelen maken, maar drijven daarmee de overheadkosten die goede doelen maken aan administratie en voorlichting juist op. Hier geldt net als in het bedrijfsleven: contracteren is goed, maar vertrouwen is beter. Een economie waarin afnemers in contracten garanties eisen van leveranciers is veel geld kwijt aan transactiekosten. Dat levert werk op voor juristen, maar is uiteindelijk inefficiënt. Enige naïviteit loont. Dat geldt ook in de goede doelen sector. Het is waar dat wie vertrouwen stelt in goede doelen het risico loopt van misbruik daarvan. Maar de kans daarop wordt overdreven - niet vreemd in een tijd van terroristische dreiging, bouwfraude, boekhoudschandalen en disproportionele media-aandacht voor onveiligheidsgevoelens. 'Goede doelen lijden onder wantrouwen' was daarom een betere kop geweest.
Tuesday, October 07, 2003
Tuesday, September 23, 2003
Bezuiniging op jongerenwerk inconsequent, duur en inefficiënt
Minister Hoogervorst van VWS gaat subsidies aan jeugdorganisaties sterk verminderen. De bezuinigingen leveren op korte termijn een minieme besparing op, maar leiden op lange termijn tot hoge kosten voor de samenleving. Daarom moeten jongerenorganisaties bij de bezuinigingen ontzien worden.
In de regeringsverklaring van het kabinet-Balkenende II worden burgers opgeroepen meer eigen verantwoordelijkheid te nemen. We moeten leren dat we niet zomaar een beroep kunnen doen op de overheid. We moeten ons meer verantwoordelijk gaan voelen voor ons eigen welzijn en voor dat van anderen. Deze oproep past bij de waarde die in het CDA-verkiezingsprogramma en de regeringsverklaring wordt toegekend aan het particulier initiatief, en met name aan vrijwillige verenigingen op het 'maatschappelijk middenveld'. In verenigingen leren mensen waarden en normen, zo luidt de veronderstelling. In het kabinetsstandpunt van Balkenende I 'Jeugd op de agenda' is de waarde van jeugdorganisaties als ondersteuning bij de opvoeding door ouders en als preventief instrument nog eens onderstreept. De harde bezuinigingen op jongerenorganisaties staan in schril contrast met de grote maatschappelijke meerwaarde van jeugdparticipatie.
Er zijn twee redenen waarom bezuinigen op jeugd- en jongerenwerk onverstandig is. De eerste reden is het waarden en normen-argument. Hoe onzinnig en futiel het debat over waarden en normen soms ook is, het CDA heeft wel gelijk met haar standpunt over het maatschappelijk middenveld: het werkt écht. Wetenschappelijk onderzoek laat heel duidelijk zien dat jeugdverenigingen goed zijn voor talloze maatschappelijk waardevolle zaken. Studies in de VS hebben aangetoond dat jongeren die actief lid zijn van een vereniging later als volwassene sterker politiek betrokken zijn, een sterker democratisch waardenpatroon hebben, vaker gaan stemmen bij verkiezingen, en vaker actief zijn als onbetaald vrijwilliger. De meerwaarde van vrijwillige jeugdparticipatie is ook gevonden in recent onderzoek in Nederland. Jeugdparticipatie blijkt bevorderlijk te zijn voor allerlei burgerschapswaarden zoals het vertrouwen in anderen, een altruïstische instelling en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Bovendien bleek dat wie in zijn jeugd actief was voor een vereniging als volwassene minder sterk op het eigen belang uit is, vaker vrijwilligerswerk doet en meer dan gemiddeld geld geeft aan 'goede doelen'. Het onderzoek laat zien dat de meerwaarde van jeugdparticipatie het grootste is als het gaat om specifieke jeugdverenigingen zoals Scouting en activiteiten die op school georganiseerd worden. Deelname aan sport- en hobbyclubs leidt minder vaak tot positieve uitkomsten. Met name als jongeren hun activiteiten zelf mogen organiseren heeft dit gunstige effecten. Gezien deze uitkomsten zijn de bezuinigingen op sportverenigingen minder erg dan het korten op de subsidies voor specifieke jeugdorganisaties. Jeugdparticipatie voorkomt dat jongeren calculerende burgers worden die alleen op hun eigen belangen letten en geen oog hebben voor het publieke belang. Jeugdorganisaties spelen echt een belangrijke rol in de ontwikkeling van een gezond gevoel voor waarden en normen. De bezuinigingen ondermijnen de ontwikkeling van het verantwoordelijkheidsgevoel onder jongeren.
De tweede reden waarom bezuinigen op jeugd- en jongerenwerk onverstandig is ligt in hun preventieve werking. Clubs en verenigingen hebben niet alleen een belangrijke lange termijn functie voor het vormen van verantwoordelijke burgers, maar zijn ook op de korte termijn van groot belang voor de opvang van 'probleemjongeren'. Bij een vereniging als Scouting Nederland komen veel van deze speciale gevallen terecht. Kinderen met ADHD, gedragsproblemen en achterstanden in de ontwikkeling van sociale vaardigheden, die vaak uit zogenaamde achterstandsmilieu's afkomstig zijn, worden doorverwezen door kinderartsen en jeugdhulpverleners. Dit geldt ook voor sportclubs, maar in mindere mate. De minister heeft geld toegezegd voor nieuwe projecten op lokaal niveau om deze preventiefunctie te handhaven. Dit is duur en inefficiënt. Deze nieuwe projecten moeten nog worden bedacht, opgezet en uitgevoerd. Er wordt geen blijvende preventie-infrastructuur mee opgebouwd. Als ze zijn afgelopen, komen de problemen vanzelf terug. Er wordt geen organisatie geboden waarin jongeren blijvend actief kunnen zijn. Bovendien wilde het kabinet juist af van het woud aan losse projecten. De preventieve werking van de opvang zoals die nu georganiseerd is kost de overheid heel weinig: het grootste gedeelte van het werk wordt gedaan door vrijwilligers. De overheid betaalt mee aan de training en ondersteuning van deze onbetaalde krachten. Als de voorgenomen bezuinigingen doorgaan, levert dat op de korte termijn een minieme besparing op, maar op de lange termijn grote maatschappelijke kosten. Bovendien komt de toegankelijkheid van verenigingen voor jongeren die het toch al moeilijk hebben in gevaar omdat verenigingen gedwongen zullen worden om hogere contributies te gaan vragen. Juist voor de groepen die het minst een maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef van huis uit meekrijgen is dit een probleem. De participatie van mensen met minder kansen in de samenleving wordt geblokkeerd door hogere contributies, en daardoor ook de ontwikkeling van verantwoordelijkheid. Meedoen wordt dan moeilijk.
Het kabinet vraagt dat burgers verantwoordelijkheid nemen voor het algemeen belang, en zich niet gedragen als calculerende burgers die alleen uit zijn op hun eigen belang en zoveel mogelijk van de overheid profiteren zonder daar iets voor terug te doen. Dat is een goede zaak. Maar het burgerschap dat hiervoor cruciaal is komt onder druk te staan als de clubs en verenigingen waarin jongeren opgroeien tot verantwoordelijke burgers in hun bestaan bedreigd worden. Het CDA laat met deze bezuiniging niet alleen de jongeren in de steek, maar ook haar ideologie en de kiezers die zich daarin herkennen. Als het verantwoordelijkheidsgevoel de overheid daadwerkelijk iets waard is, kan zij de aangekondigde bezuinigingen op het jeugd- en jongerenwerk niet door laten gaan.
Thursday, July 03, 2003
Kabinet zet maatschappelijk middenveld onder druk
Verschenen in Trouw, 3 juli 2003, p. 12, als 'Mes in clubs vecht met visie kabinet'
De regering Balkenende II gaat meer dan honderd miljoen euro bezuinigen op subsidies voor organisaties op het maatschappelijk middenveld. Maatschappelijke organisaties op het terrein van gezondheid, jeugdwerk, de sport en zelfs religie worden gekort, of volledig aan hun lot over gelaten. De bezuiniging staat haaks op het voornemen van het kabinet om het maatschappelijk middenveld een grotere rol te geven bij een terugtredende overheid. Bovendien zullen de bezuinigingen vooral in het nadeel zijn van degenen die het minste kunnen profiteren van deze verenigingen, maar ze het hardste nodig hebben, betoogt René Bekkers.
In de regeringsverklaring van Balkenende II riep het kabinet de burgers op om zelf meer verantwoordelijkheid te nemen. Daarbij wordt een speciale taak gegeven aan allerhande maatschappelijke organisaties. Met deze oproep treedt Balkenende in de voetsporen van Lubbers, die in de jaren ’80 een soortgelijke oproep deed. Het appèl van Balkenende sluit naadloos aan bij het christen-democratische gedachtegoed, waarin de voorkeur wordt gegeven aan particuliere initiatieven van burgers verenigd op het maatschappelijk middenveld voor
diensten die niet of onvoldoende door de markt geproduceerd worden.
Het maatschappelijk middenveld in Nederland is meer dan alleen de plek om de eigen favoriete hobby uit te oefenen. Het maatschappelijk middenveld is inderdaad van wezenlijk belang voor de samenleving, zo heeft sociaal-wetenschappelijk onderzoek geleerd. Vrijwillige verenigingen vormen het sociaal kapitaal van Nederland. In verenigingen komen burgers elkaar tegen, leren ze vaardigheden als samenwerken en vergaderen, en maken ze zich waarden en normen eigen zoals verantwoordelijkheid, tolerantie en vertrouwen. Dit geldt met name voor jeugdorganisaties, omdat jongeren nog sterker beïnvloed kunnen worden dan volwassenen. Bovendien is het Nederlandse verenigingsleven uniek in de wereld omdat het relatief toegankelijk is voor burgers uit alle sociale klassen. Doordat uiteenlopende sociale klassen elkaar tegenkomen kunnen kwetsbare groepen er sociale contacten, praktische vaardigheden en democratische waarden en normen opdoen die ze door een gebrek aan opleiding anders nooit hadden kunnen verkrijgen. Het open karakter van het middenveld waarborgt de politieke stabiliteit.
Nu religieuze scheidslijnen langzaam verdwijnen uit de samenleving raakt het verenigingsleven steeds sterker georganiseerd langs klasselijnen. Het was altijd al zo dat hoger opgeleiden vaker deelnamen aan verenigingen, maar de laatste tijd is deze ongelijkheid toegenomen. De bezuinigingen zullen deze ongunstige trend alleen maar versterken. Door het afbouwen van de subsidies worden verenigingen gedwongen om elders compensatie te vinden voor de gedaalde inkomsten. Ze zullen bijvoorbeeld proberen meer sponsors te vinden. Maar omdat bedrijven in economisch zware tijden als eerste bezuinigen op giften en sponsoring, omdat die niet tot de ‘core business’ behoren, zal er de komende tijd een zware concurrentieslag plaatsvinden waarin steeds meer verenigingen een beroep doen op steeds minder geld uit het bedrijfsleven. Het maatschappelijk middenveld zal hierdoor genoodzaakt zijn om steeds hogere bijdragen te vragen aan haar leden. Contributies zullen verhoogd worden en vergoedingen voor geleverde diensten zullen worden op- en ingevoerd. Wellicht is dit het soort eigen verantwoordelijkheid van burgers waar het kabinet op doelt: zoekt u het zelf maar uit, en als u het niet kunt betalen, jammer dan.
Sommige categorieën verenigingen kunnen de problemen die gaan ontstaan door het wegvallen van subsidies heel goed zelf oplossen. Verenigingen die veel eigen vermogen hebben en die belangen dienen van of diensten verlenen aan leden die tot de hogere sociale klassen behoren (de beroepsverenigingen van artsen en journalisten bijvoorbeeld) zullen gemakkelijk overleven. De toegankelijkheid van verenigingen die leden trekken uit alle maatschappelijke lagen, waaronder bijvoorbeeld Scouting Nederland, komt hierdoor onder druk te staan. Juist voor de meest kwetsbare groepen, die het meest bij verenigingsdeelname gebaat zijn, wordt het steeds lastiger om de stijgende kosten ervan op te brengen. Verenigingen krijgen daardoor steeds minder diversiteit in hun ledenbestand. Ze worden voor een steeds groter gedeelte bevolkt door de geslaagde klasse. Het sociaal kapitaal van de samenleving komt daarmee in handen van degenen die ook al het meeste financiële en menselijke kapitaal bezitten. Verenigingen die geen echte leden tellen maar wel diensten verlenen, zoals de Zonnebloem, of zich inzetten voor een ideëel doel, zoals het milieu of de mensenrechten zijn vrijwel kansloos om een compensatie te vinden voor de bezuinigingen.
De oproep tot meer initiatief van burgers door Balkenende komt net als de oproep van Lubbers destijds niet toevallig nu het economisch slecht gaat. De strategische timing verraadt dat het hier gewoon gaat om een excuus voor een bezuinigingsmaatregel. De ideologische veren van het CDA waaien weg bij het minste zuchtje tegenwind. De bezuinigingen zijn niet alleen inconsequent, maar treffen verenigingen die niet zonder kunnen net zo hard als de clubs die dat wel kunnen.
Voor zover bezuinigingen onvermijdelijk zijn, dient het kabinet deze te concentreren op organisaties die gemakkelijk bij het bedrijfsleven terecht kunnen voor sponsoring, die de belangen dienen van en/of diensten leveren aan hen die het toch al gemakkelijker hebben, en op organisaties met veel eigen vermogen. Jeugdorganisaties dienen te allen tijde ontzien te worden: zij vormen de volgende generatie burgers.
|
|